Daan Vandewalle heeft meer dan tien vingers

De muziekgeschiedenis van de eerste twintig jaar van de vorige eeuw is geplaveid met clichés over de vermeende verschrikkingen van atonale muziek. Het klassieke huwelijk tussen harmonie en structuur dat in die tijd vervangen werd door de vrije liefde van de atonaliteit beloofde aanvankelijk niet veel goeds.  Te moeilijk, te onvoorspelbaar. Maar pianist Daan Vandewalle is er afgelopen vrijdag in geslaagd gestalte te geven aan de rijkdom, expressieve oerkracht en virtuositeit van baanbrekende pianowerken van Arnold Schönberg (1874-1951), aangevuld met enkele tijdgenoten en zielsverwanten. Vandewalle liet zien dat de waarde van muziek bestaat in haar zeggingskracht en niet in de mate van tonaliteit. 

Wynold Verweij

In het preludeconcert van Festival 20·21 in Leuven bracht Vandewalle een eerbetoon aan Schönberg, Anton Webern, Ferruccio Busoni, Charles Ives en anderen. Schönberg is sinds vorige week 150 jaar en handhaaft zich, onder aftrek van de eerste twintig jaar, als een ijkpunt in de Westerse muziekgeschiedenis. 

Vandewalle speelde het eerste deel van Schönberg’s Drei Klavierstücke, op. 11 (1909), in een gebruiksvriendelijke interpretatie waarin hij de noten net los genoeg bond om lichtvoetig te blijven en hij de dynamiek zo omfloerst behandelde dat alle subtiliteit tot zijn recht kwam. In het tweede deel zorgde hij ervoor dat het pedaalwerk hoorbaar bijdroeg aan de intensiteit van de pianissimo motieven. Hierdoor werd de belichting van de ostinate bas van twee noten steeds weer bijgedraaid. Het derde deel nodigde de luisteraar uit tot zelfreflectie: na een overdonderend fortissimo begin is er plotseling een overgang naar gedempte en opengesperde melodische lijnen in een voortdurend wisselend tempo. Vandewalle liet hier duidelijk horen dat het niet de bedoeling van de componist was om de luisteraar naar diens comfortzone te leiden maar hoogstens een paar suggesties te doen. 

Sechs kleine Klavierstücke, op. 19 (1911) is een cyclus van zes zeer korte stukjes waarin Schönberg ambieerde de limieten van zijn muzikale esthetiek te verkennen. Het eerste deel (‘Leicht, zart’) vraagt van de pianist de uitersten van subtiliteit op te zoeken, gevolgd door een ostinaat tweede deel, dan een plechtig stuk dat geen afgebakend einde heeft en via-via uitkomt in het zesde en laatste deel, dat geschreven is naar aanleiding van de dood van Schönberg’s inspirator Gustav Mahler.

Ook hier toonde Vandewalle zijn meesterschap: vanaf zijn manuele gestiek in slow-motion tot aan de slotmaten waar hij zich langzaam opvouwde. Hij liet de laatste toon wegglijden totdat het zachte gezoem van de ventilator ons in herinnering bracht dat wij allen sterfelijk zijn.

Een van Schönberg’s talloze correspondentievrienden was de Italiaanse componist Ferruccio Busoni (1866-1924). In zijn Sonatina seconda (1912) passeert een groot deel van de Westerse speelstijlen de revue en Vandewalle maakte daar gretig gebruik van. Hij zette alle registers in om de uitersten tussen sentimentaliteit en hysterie tot in de verste hoeken van de zaal te brengen. Interessant was de programmering van Variationen für Klavier, op. 27 (1936) van Schönberg’s leerling Anton Webern (1883 – 1945), een uitwerking van Schönberg’s twaalftoonstechniek. Het eerste, ultrakorte, deel is kaal en minimalistisch. Het vormt een scherp contrast met het tweede deel dat bestaat uit heftige maar dansbare sprongen. Het mondt uit in een langer slotdeel, dat bestaat uit minder uitgesproken samenklanken. Dat stelde Vandewalle in staat om een zuinige, maar intense variant van expressiviteit aan de oppervlakte te laten komen.

Boogiewoogie

Het tweede deel van het recital werd geopend en afgesloten door werk van Schönberg’s tijdgenoot aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, Charles Ives (1874-1954). Piano Sonata no. 2, Concord, Mass.,1840-1860 is een muzikaal overzicht van het transcedentalisme, een stroming in de literatuur en filosofie, waarin Ives zich uitleeft met verwijzingen naar Debussy’s impressionisme en talloze citaten uit Beethoven’s Vijfde Symfonie.  Voeg daarbij motieven in stijlen boogiewoogie en swing en fragmenten die met vuisten en onderarmen gespeeld moeten worden, en het is duidelijk dat de uitvoerder over een indrukwekkende fysieke conditie moet beschikken om dit tot een goed einde te brengen. Vandewalle slaagde daarin met glans. Hij wist Ives’ verzuchting dat het niet “de fout van de componist is dat een mens maar tien vingers heeft” met overtuiging te pareren.   

  • WAT – Schönberg & Ives Unlimited
  • WIE – Daan Vandewalle (piano)
  • GEZIEN – Festival 20.21, Leuven, 13 september 2024
  • FOTO’S – Wynold Verweij

Leave a Reply