Wynold Verweij
“We need not fear these sounds; let them be what they are, music”, zei John Cage in 1957. Toen klonk dat profetisch. Sindsdien gaat hedendaagse klassieke muziek onbekommerd verder met de afbraak van muren. Het podium is geen heiligdom meer, maar een ontmoetingsplaats. Pianorecitals worden audiovisuele ervaringen, kamermuziek klinkt als een discussie over biodiversiteit of feminisme, en componisten putten net zo makkelijk uit artificial intelligence als uit elektronica in gezinsverpakking.
De jongste edities van het Leuvense Festival 20•21, gewijd aan klassieke muziek uit deze en de vorige eeuw, en zusterfestival Transit, dat zich richt op de nieuwste aanwinsten, hebben laten zien dat klassieke muziek van onze tijd haar eigen huid heeft afgeworpen. Waar vroeger stijl en genre de grenzen bepaalden, regeren nu vernieuwingsdrang en reislust. Het resultaat is een muziekpraktijk die even nieuwsgierig als eigenzinnig is. Misschien is dit wel de echte traditie: blijven twijfelen aan wat vanzelfsprekend lijkt. Nieuwe muziek beslaat een almaar voortgroeiende archipel van mogelijkheden. Maar maakt verdere versnippering de reiziger duizelig of leiden nieuwe vormen van samenwerking tot andere, levensvatbare ontwikkelingen?
Zintuigelijk
Een voorbeeld van geslaagde samenwerking is die tussen pianist Severin von Eckardstein en videokunstenares Lise Bruyneel. Von Eckardstein gaf een recital van werken van Leoš Janáček en Josef Suk die visueel werd aangevuld door abstract gemonteerde videobeelden van de Boheemse natuur. De grootsheid van de natuur werd geaccentueerd door projectie op huizenhoge doeken die zachtjes meebewogen met de muziek. Von Eckardstein speelde de eerste en enige pianosonate van Janáček intens en lichamelijk.

Het slot bracht hij met gebogen rug, ineengevouwen boven de toetsen, als versteend. De stukken van Suk voorzag hij van zomerse openheid met de blik gericht op een zorgeloze toekomst. De video suggereerde pastelkleurige of sepia loofbomen in stilstand of lichtjes wuivend, een perfecte harmonie tussen geluid en beeld in een volledige geïntegreerde zintuigelijke beleving.
Regen
Ook Het Collectief had ervoor gekozen om beeld en muziek samen te brengen. De Oostenrijkse componist Hanns Eisler (1898-1962) had zich bij zijn ensemblestuk Regen (1940-41) laten inspireren door de gelijknamige film van Joris Ivens. De film is van 1929, in zwart-wit, en daardoor conform het toen vigerende modetijdsbeeld: de luchten en regenjassen zwart en grijs, net als plaveisel, paraplu’s, auto’s en fietsen. De regen is druilerig. Soms wat meer, dan wat minder, maar steeds gematigd. De film toont een gelaten terughoudendheid. Dit in tegenstelling tot de de onrust en nieuwsgierigheid van de muziek. De tonaliteit van de 14 korte stukjes is fors opgerekt, het geheel is kleurrijk, verwachtingsvol en expressief. Maar het lijkt hier of de film en de muziek elkaar in de weg zitten, het ene leidt af van het andere, er is een risico van overprikkeling.

Gelukkig hadden de programmatoren rekening gehouden met de mogelijkheid van keuzestress. Eislers stuk werd twee keer uitgevoerd: de eerste keer met de film de tweede keer zonder. Het bleek dat beiden ook heel goed zonder elkaar konden.
Bedreigde diersoorten
Het Zwitserse Trio Accanto viel op met de wereldcreatie The last of their kind, een verzameling van tien stukken gewijd aan uitgestorven of bedreigde diersoorten. De bezetting van Accanto is piano, saxofoon en percussie. Dat is een vintage jazz-bezetting, maar nu ingezet voor klassieke muziek. Met video (Georg Lendorff), alternatieve speeltechnieken (sax zonder mondstuk, prepared piano met Stefan Wirth) en duizelingwekkende percussie brachten zij o.a. de zwarte boomkangoeroe, de ‘onsterfelijke kwal’ en de bonobo terug tot leven.

De aanpak van Accanto bleek overtuigend en vooral relevant voor ons geheugen: fysieke uitsterving betekent ook dat de bijbehorende geluiden in de vergetelheid kunnen raken. Het trio bestaat uit solisten die elkaar de benodigde ruimte laten en dat levert een ongeziene reeks aan (on)mogelijkheden op. Hun individuele virtuositeit versterkte de kwaliteit van de samenwerking en zij wisten daarin ook nog het publiek te betrekken.
Durf en persoonlijkheid
Verrassend en veelbelovend was het -eveneens thematische- debuut op Transit van pianist en componist Marlies Cornelis, die een kort recital bracht van nieuwe werken van Frederik Croene, Benjamin Windelinckx en haarzelf. Haar twee eigen stukken zijn onderling verschillende commentaren op de maatschappelijke positie van vrouwelijke pianisten. Cornelis opende met haar Mon petit lapin sonore, een ingetogen en dromerig spel op een (versterkte) Afrikaanse kalimba, met een zweem van erotiek in de gedaante van eenvoud en onschuld.

Ook Benjamin Windelinckx’ En cercle voor piano en tape brengt vrouwelijke componisten (in dit geval Cécile Chaminade) onder de aandacht. Hij doet dat via citaten en bewerkingen van haar werk Air, aangevuld met nieuw materiaal. Tegen een achtergrond van een oude opname van Air op tape, begint het stuk met microtonale cellen die uitmonden in steeds snellere gewelddadige ostinato’s. De combinatie met live piano en tape illustreert bovendien de generatiekloof in de uitvoeringspraktijk. Frederik Croene schreef Schizofrenia I om te testen of de piano in staat is het klassieke orkest te imiteren, respectievelijk inspiratiebron voor elektronische muziek kan zijn. Die vraag bleef uiteraard onbeantwoord maar bleek een effectieve opmaat naar het slot. Dat was feminine Endings 1, Cornelis’ antwoord op de pogingen om haar als kind te bewegen met Barbiepoppen te spelen – iets waar zij duidelijk geen zin in had. De compositie is voor prepared piano en tape. Cornelis bespeelt de piano met de ledematen die zij van enkele Barbiepoppen losrukt en tussen de snaren van de vleugel klemt. Zij gebruikt ze ook om de snaren aan te slaan of te plukken. Op de achtergond horen we de stem van de vroegere ceo van het bedrijf dat Barbie op de markt bracht. Zij kreeg na haar pensioen borstkanker en is vervolgens een tweede carrière begonnen als baas van een bedrijf dat borstimplantaten maakt. Het is een adembenemende en aangrijpende confrontatie tussen woede en berusting, zowel muzikaal als vocaal. Cornelis’ steekt haar technisch vermogen in een creatief jasje en voegt daaraan durf en persoonlijkheid toe.

Bevrijding
Woede, maar ook meditatie en spielerei, was eveneens te beleven in de jongste loot aan de cyclus Inner Cities van Alvin Curran. Dit nummer 15 werd gespeeld door Currans “vaste” vertolker Daan Vandewalle (piano). Voorafgaand speelde Vandewalle nummer 14 uit de reeks die, aldus Curran in het programmaboekje, “bevrijd is van klassieke westerse verwachtingen”. Dat het geen valse bescheidenheid is bleek uit de strapatsen die zijn muziek uithaalt: pulseren, citeren, dwalen, rennen, wandelen, draven en – waarom niet – een paar toonladders.

In nummer 15 zet Curran gesampelde geluidsbanden in die via een keyboard naar een luidspreker worden gestuurd. Daan Vandewalle laat zien dat hij in Currans stukken woont en er zich thuis voelt. Als hij alleen met de rechterhand speelt, dirigeert hij zichzelf met de linkerhand. Zijn gelaatsuitdrukking volgt de partituur en soms kijkt hij met verbazing naar zijn handen. Alsof die door een andere, bovennatuurlijke macht worden gestuurd.

Brutaliteit 1
Het New Yorkse percussie- en pianokwartet YARN/WIRE staat al 20 jaar bekend om een intelligente versie van brutaliteit en een dynamische podiumpresentie. Ook in Leuven slaagde het viertal erin het publiek uit te dagen en mee te nemen in een spetterend avontuur waarin niets moet en alles mag, zolang kwaliteit voorop staat. In Orchestra of Black Butterflies van Lisa Streich imiteren zij een geheel orkest met twee piano’s die een kwarttoon van elkaar zijn gestemd en soms klinken als blazers. De strijkinstrumenten komen aan de oppervlakte door linten langs de snaren te laten strijken. Dit dankzij acht kleine motortjes. De twee percussionisten wisselen elkaar af in gestemde (o.a. zwaaien met stukken van een plastic slang) en ongestemde percussie. Het geheel mondt uit in een spectaculaire serie licht-dissonante motivische bokkensprongen.

De afwisseling tussen stapsgewijze elegantie en ongehoorde woeduitbarstingen blijft boeien, temeer daar de muziek centraal staat. Dat het verschil in stemming regelmatig vanuit plagerige dissonantie beweegt naar vileine valsheid hoort erbij. Sterker nog: het went en doet verlangen naar meer. (Tip: wie toevallig op 8-10 april 2026 in New York is, kan in Carnegie Hall hun debuut met de New York Philharmonic horen in nieuw werk van George Lewis).
Brutaliteit 2
Brutaliteit van de beschaafde soort werd verzorgd door de pianisten Jan Michiels en Brecht Valckenaers met een recital voor twee piano’s van werken van GyörgyLigeti en zijn tijdgenoot Conlon Nancarrow. Zij flankeerden de wereldcreatie van States of Matter van Valckenaers. Het programma gaf indirect een doorkijkje in de Westerse muziekgeschiedenis. Waar de vroegere stukken van Ligeti en Nancarrow vooral de ritmiek als structurerend element gebruikten, ging Nancarrow in zijn latere werk een stap verder via gebruik van een mechanische piano. Daardoor moesten er arrangeurs aan te pas komen om bijvoorbeeld zijn Studies for player piano voor mensenhanden speelbaar te maken. Bewerkingen van elkaars composities zijn in de (klassieke) muzieksector heel normaal. De late Sonatina van Ligeti bevat citaten van Bartók en nog later verwerkt hij fragmenten van Reich, Riley en Chopin.

Jan Michiels en Brecht Valckenaers vulden elkaar perfect aan. Michiels nam voor elk stuk ruim de tijd om zich te concentreren, de body langage van Valckenaers verraadde dat hij er het liefst meteen invliegt. Michiels speelt van papier, zijn jonge collega van iPad. Michiels is één met zijn instrument en Valckenaers richt zich ook tot de zaal. Hun verhouding kwam subtiel tot zijn recht bij het derde deel van Valckenaers States of Matter. Hierin slaat Valckenaers fortissimo staccato akkoorden met een hand aan en drukt hij een akkoord met de andere hand alleen in waardoor bij het loslaten van de eerste een lange en volle resonans overblijft. De resonans kreeg extra lengte en een mystiek timbre mee omdat Michiels hetzelfde deed, maar dan pianissimo. Michiels liet op die manier de eer aan zijn jonge collega – zij waren heel even vader en zoon. In hedendaagse klassieke muziek is alles mogelijk.
Gezien:
Festival 20•21, 22 september – 26 oktober 2025, Leuven
Transit, 17 – 19 oktober 2025, Leuven
Beeld featured image: Evy Ottermans